In het mini-waterpolo wordt het motto spelend leren gehanteerd. Het spel staat centraal niet de vaardigheden. We gaan er vanuit dat met het spel de vaardigheden vanzelf aangeleerd worden. Hoewel de basiselementen hetzelfde zijn bij het “gewone” waterpolo, mag bij minipolo (bijna) alles. Zo is het toegestaan de bal met twee handen te spelen, hebben teams geen keeper en mogen de kinderen staan. De scheidsrechter of spelleider treed eigenlijk alleen op om het spel zo leuk mogelijk te laten verlopen. Er wordt gespeeld op een verkleind speelveld met tevens aangepaste doeltjes.

Er zijn drie leeftijdscategorieën waarbij voor elke categorie een aangepaste spelvorm geldt oftewel de lat gaat elke keer een klein stukje hoger. Zij spelen één keer per maand op een door een vereniging georganiseerd toernooi. De jongste groep (6-7 jaar) start in een klein team met de kleinste doeltjes in ondiep water. De volgende groep (8-9 jaar) speelt in een iets groter team met iets grotere doeltjes maar nog steeds in ondiep water. De laatste groep (10-11 jaar) speelt in competitieverband in teams van vijf tegen vijf in een veld van 20 meter met een tussenmaat doel.